Opkomst en ondergang van de industriële landbouw

Gepubliceerd op 23 december 2023 om 14:28

De industriële landbouw die wij nu kennen is van betrekkelijk recente datum. Het is een tegennatuurlijke manier van productie, gebaseerd op ver  doorgevoerde specialisatie, gebruik van chemicalieën, en grote kapitaalinzet. Zij loopt nu aan tegen ecologische grenzen en dit roept steeds grotere maatschappelijke weerstanden op. Het heftige boerenverzet maakt weinig kans. Een transitie naar agro-ecologische of 'natuurinclusieve' landbouw is een kwestie van menselijk overleven. 

 

Industriële landbouw is de dominante vorm van landbouw in ons land en in heel Europa. Zij ondervindt grote maatschappelijke weerstanden en daar zijn gewichtige redenen voor. De vruchtbaarheid van het boerenland loopt terug door intensieve en eenzijdige teelt, door gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. In de veeteeltsector lijdt de leefomgeving onder de uitstoot van schadelijke stoffen die stikstof en fosfaat bevatten en die in overmaat in water, bodem en lucht belanden. Hierdoor gaat de biodiversiteit schrikbarend achteruit. Ook met het dierenwelzijn is het slecht gesteld en vormen dierziektes die op mensen kunnen overgaan een gevaar voor de volksgezondheid.

Waterleidingbedrijven moeten steeds hogere kosten maken om veilig drinkwater te kunnen leveren. Volgens een studie van Greenpeace (Europe’s pesticide addiction. How industrial agriculture damages our environment, october 2015) wordt bijna een kwart van de diersoorten in de EU in hun voortbestaan bedreigd door vervuiling van hun leefomgeving door kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Tot begin vorige eeuw kende het boerenbedrijf vaak nog een duurzaam gebruik van de grond. Dit werd gerealiseerd door de combinatie van akkerbouw en veeteelt. Op een en hetzelfde bedrijf werden voedsel- en voedergewassen geteeld en vee gehouden. Het veevoer werd aan het vee gevoerd en kwam als mest weer terug op het land. Dit zogeheten ‘gemengd bedrijf’ was er op gericht de bodemvruchtbaarheid in stand te houden die afhankelijk is van micro-organismen (schimmels en bacteriën) en dierlijk leven (wormen, larven) in de wortelzone van de bodem. Het bodemleven namelijk zet organisch materiaal (dode plantenresten) om in mineralen (voedingsstoffen) die opneembaar zijn voor de wortels van levende planten.

Zo werd de kringloop van mineralen, voedingselementen voor de gewassen, grotendeels gesloten. Daarnaast werd een veelsoortig landgebruik gepraktiseerd door vruchtwisseling (gewasrotatie) met een grote verscheidenheid aan gewassen, en wisselbouw (landrotatie) met akkers, weiland en braaklegging. Ook dit komt ten goede aan de bodemvruchtbaarheid en voorkomt ziekten en plagen in het gewas.

Maar het tij keerde. Het bedrijfsleven ontdekte de landbouw als een sector waar geld aan te verdienen was. Door de sterke groei van de steden in de tweede helft van de 19e eeuw nam de vraag naar voedsel sterk toe. De voedingsmiddelenindustrie kwam op (conserven en zuivel) en begaf zich steeds meer op de internationale markten. Haar leveranciers, de boerenbedrijven, werden aangezet tot specialisatie en mechanisering. Ontvlechting van het aloude gemengd bedrijf had plaats, zodat aparte sectoren ontstonden: akkerbouw, veeteelt en tuinbouw. Wilde het boerenbedrijf deelhebben aan deze ‘vooruitgang’ dan moest het als een industriële onderneming, namelijk met beheersing van de productieprocessen, worden gerund.

Bij deze ‘modernisering’ speelden landbouwonderzoek, -onderwijs en –voorlichting maar ook banken een belangrijke rol. Deze transformatie ging ten koste van het dierenwelzijn, het milieu en de landbouwgrond: meer dieren in hok of stal, gebruik van krachtvoer, antibiotica, kunstmest, bestrijdingsmiddelen, enz. Deze industriële landbouw is ook nog eens sterk afhankelijk van kunstmest dat gemaakt wordt van aardolie en dat het schaarse fosfaat bevat. Voor de duurzame, ecologisch verantwoorde landbouw (agro-ecologie) van weleer die de natuurlijke processen in de bodem, de lucht en het oppervlaktewater zoveel mogelijk spaarde, was geen ruimte meer. Dat type landbouw werd gediskwalificeerd en teruggedrongen tot niches. Het is goed de agrarische sector en de BBB er nog maar eens aan te herinneren dat de Boerenpartij met Boer Koekoek ooit (jaren zeventig) in de Tweede Kamer fel streden tegen deze opgelegde 'modernisering'. Ook buitenparlementair was er veel verzet van de kant van het 'boerenfront'.

Joost Visser die promotieonderzoek deed op dit terrein, zegt in een interview met het Vlaamse blad MO-Mondiaal onder de titel Dit landbouwmodel moet stoppen, dat de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) een snelle ontwikkeling teweegbracht van de kennis van de chemie: strijdgassen en explosieven. Op grote schaal kwamen ook kunstmest en bestrijdingsmiddelen beschikbaar. Het landbouwkundig onderzoek draaide tot aan de Eerste Wereldoorlog om plantenfysiologie en was botanisch en biologisch van aard. Daarna echter verschoof de focus naar onderzoek van chemische processen; verklaarbaar als men weet dat de kunstmestindustrie in belangrijke mate het landbouwkundig onderzoek financierde. Van samenwerken met de natuur werd het voortaan strijden tegen de natuur. De complexe natuurlijke, organisch-chemische processen van de teelt van gewassen poogde men met kunstmest en pesticiden naar zijn hand te zetten. Werd het bodemleven hierdoor al ernstig verstoord, het gebruik van zware machines en het ontbreken van een goede vruchtwisseling en braaklegging verergerde dit, volgens Visser.

Behalve ecologisch onderging het boerenbedrijf ook economisch grote veranderingen. Vanaf het moment dat de agro-industrie, ook ‘agrocomplex’ genoemd - het geheel van bedrijven dat is verweven met de agrarische productie, zowel toeleveringsbedrijven van bijvoorbeeld veevoer of kunstmest als afnemers in de (voedsel)verwerkende industrie en de distributie (retail) – haar economische macht in de landbouw ontplooide, werd alles in het werk gesteld om ‘rationalisatie’ –  een woord dat staat voor efficiëntieverbetering in de landbouw – te bevorderen. Dit hield in opbrengstverhoging per hectare en tegelijk kostprijsverlaging door schaalvergroting en specialisatie.

Terwijl de prijzen ‘af-boerderij’ van de voornaamste Nederlandse landbouwproducten al decennia lang een dalende trend vertonen, zijn de kosten van de productiemiddelen (tractoren, machines en stallen, kunstmest en veevoer) en van land en arbeid blijven stijgen. Dit heeft een race op gang gebracht van innoveren, investeren en uitbreiden om een zo laag mogelijke kostprijs per eenheid product te realiseren. Talloze bedrijven gingen en gaan ten onder. In ons land is het aantal land- en tuinbouwbedrijven de laatste dertig jaar gehalveerd tot ongeveer 50 duizend nu. Het aantal melkveehouderijen is sinds begin deze eeuw eveneens met 50% afgenomen.

De huidige landbouwcrisis, helaas in het publieke en politieke debat ingeperkt tot ‘stikstofcrisis’, wordt feitelijk veroorzaakt door het feit dat de industriële landbouw ecologisch, economisch en sociaal een doodlopende weg is gebleken. Een transitie naar agro-ecologische of ‘natuurinclusieve’ landbouw is een kwestie van menselijk overleven. Het heftige verzet van boeren, achter de schermen aangemoedigd door ‘de grote machten’, namelijk afnemers en toeleveranciers van landbouwbedrijven in het agrocomplex, zal uiteindelijk een achterhoedegevecht blijken, want de transitie naar ecologisch duurzame landbouw is noodzakelijk voor het behoud van de menselijke beschaving.

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.